Discours sur les voyages d'Adrien de Gerlache sur la VRT

*** ***Discours prononcé le 11 avril 2026. Seul le texte prononcé compte.******

Dames en heren

Het Antwerpse Eilandje is een hippe buurt. Dat weet iedereen.

Weinig mensen weten echter dat Antwerpen ook een eiland is in de Zuidelijke IJszee. 

In tegenstelling tot het bruisende Eilandje is dat een onherbergzame, bevroren leegte.

Hoe komt zo’n eiland aan zo’n schone naam? En waarom liggen er vlakbij enkele andere eilanden met namen als Brabant, Gent en Luik?

Dat heeft alles te maken met een zeevaarder die zijn naam gaf aan een fraaie kaai op rechteroever. 

Een ontdekkingsreiziger wiens eenvoudige standbeeld in zijn geboortestad Hasselt staat. 

U zou er achteloos voorbijwandelen. Dat zou hij wellicht niet zo erg gevonden hebben. 

Hij staat er in brons vereeuwigd met de handen in de zakken, dromerig turend in de verte. 

Hij straalt de bescheidenheid uit waarvoor hij gekend was. 

En die er jammer genoeg mee voor heeft gezorgd dat hij grotendeels in de vergetelheid is verzonken.

Ik heb het uiteraard over Adrien de Gerlache

De eerste poolreiziger die overwinterde in Zuidpoolgebied.

Toen Tom uitgerekend mij vroeg om u vanmiddag te onderhouden met het verhaal van De Gerlache en zijn reizen, hoefde ik niet lang na te denken waarom hij dacht dat ik daar de uitgelezen spreker voor ben.

Ik ben nu eenmaal goed vertrouwd met uitzichtloze expedities met tal van gevaren in ijzige omstandigheden.

Overwinteren zonder het daglicht te zien? Check.

Lange periodes opgesloten zitten met een bont gezelschap? Check.

Buiten enkel de kille werkelijkheid in het gezicht krijgen? Check.

U begrijpt het al: voor mij leest het verhaal van De Gerlache als een herkenbare metafoor.

Maar voor De Gerlache was het de tastbare, harde werkelijkheid. 

Ik krijg veel te slikken, maar gelukkig nog geen pinguïnvlees.

Ik wil dat ongelofelijke verhaal dus graag uit te doeken doen. 

Ik vind het ook bijzonder knap dat Tom op dit moment niet zichzelf in de verf wil zetten, maar de man die hem inspireert. 

Daaruit concludeer ik alvast dat hij een slecht politicus zou zijn.

*

Dames en heren

Tom had geen betere locatie kunnen vinden om Adrien de Gerlache te gedenken.

Hier, bij de Royal Yacht Club, die altijd in De Gerlache geloofde en waarvan hij de vlag voer.

Hier, bij de Schelde, onze heerlijke stroom, waar zijn schip – net als de Tethys nu – voor anker lag en vanwaar hij zijn Zuidpoolreis aanvatte en eindigde.

Hier, in Antwerpen, de fiere havenstad die hem bezielde en vereerde.

Maar voor we ons daarin onderdompelen, begin ik graag even bij het einde.

*

In 1990 vonden enkele sportduikers een volledig vergeten scheepswrak in een baai in het Hoge Noorden.

Vijftig jaar lang had het schip tweeëntwintig meter onder het wateroppervlak gelegen. 

De vondst veroorzaakte eerst weinig deining. Tot het besef groeide dat het om de Belgica ging – het expeditieschip waarmee Adrien de Gerlache samen met klinkende namen als Roald Amundsen de Antarctische winter overwon.

Het schip dat op de bodem van een Noorse baai verging, leek echter in niets op het dappere zeilschip dat de poolzeeën had getrotseerd.

Door de jaren heen was het verworden tot een oud kolenschip zonder masten, dat dienstdeed in Harstad, een handelsknooppunt tussen de Noorse fjorden.

In mei 1940 werd het als munitiedepot gebruikt door het Britse leger, dat de Noorse troepen steunde in een vruchteloze poging om de Duitse opmars af te remmen.

En zo kwam het schip in het vizier van een Duitse Heinkel-bommenwerper.

Het had de ontberingen van de IJszee doorstaan, maar was niet bestand tegen het oorlogsgeweld. 

Zelfs al misten de Duitse bommen hun doel; de schokgolven die ze veroorzaakten, volstonden om het gammele schip lek te slaan en te laten zinken. 

Het is 9 mei 1940. De Belgica gaat roemloos ten onder.

Maar zijn verhaal en dat van zijn bemanning leven voort.

Het is dat verhaal dat in Tom Waes een vuur heeft ontstoken om in De Gerlaches voetsporen te treden en met zijn Tethys de poolzeeën te verkennen.

Het is dat verhaal dat we vanmiddag extra luister geven.

Ik wil het daarbij niet zozeer hebben over het volledige reilen en zeilen van zijn expedities. Tom zal u daar ongetwijfeld seizoenenlang over onderhouden in zijn nieuwe programma. 

Ik wil u wel iets vertellen over de figuur Adrien de Gerlache en een aantal facetten van zijn uitzonderlijke leven belichten die ons inspireren.

*

Dames en heren

Adrien de Gerlache ziet het levenslicht op 2 augustus 1866 in een statige maar knusse stadsvilla aan de Hasseltse Guffenslaan, een chique stadsboulevard.

Zijn vader Auguste is officier, net als zijn grootvader. Grootoom Etienne was kort nog eerste minister van het jonge België. Adrien is dus, zoals we zeggen, van “goede komaf”.

De familie De Gerlache heeft Luxemburgse wortels die teruggaan tot de zeventiende eeuw. In de Oostenrijkse tijd kreeg de familie haar adelbrieven. 

Adrien de Gerlache wordt geboren in de warme wieg van de adellijke beau monde, die in de tweede helft van de negentiende eeuw volop de vruchten plukt van een lange periode van rust en economische groei. 

De Waalse steenkoolbekkens en de industrialisering stuwen het land voort en brengen ongelofelijke welvaart met zich mee. De afkoop van de Scheldetol in 1863 doet de economie nog een versnelling hoger schakelen. In slechts enkele jaren tijd wordt Antwerpen de grootste haven van Europa.

De rijkdom die dat oplevert, gaat geheel voorbij aan een groot deel van de bevolking. Armoede en ontbering blijven de bikkelharde norm, niet de uitzondering. Maar het vooruitgangsgeloof viert hoogtij. Bij uitstek in de kringen waarin De Gerlache opgroeit.

De wereld wordt steeds kleiner. De trein, de stoomboot en de telegraaf verbinden eerst steden, vervolgens landen en uiteindelijk continenten.  

Het lijkt alsof de verste uithoeken van onze aardbol binnen handbereik liggen en de blinde vlekken op de wereldkaart weldra hun geheimen zullen prijsgeven.

Dat onbegrensde optimisme heeft Adrien helemaal in zijn greep. Hij is doordrongen van de zucht naar het nieuwe, het avontuur, de pracht van de natuur. Als kind knutselt hij al bootjes in elkaar. Hij wil de wereld ontdekken. De zee roept hem.

Adriens fascinatie voor de blauwe diepte is ongewoon. 

Vader Auguste heeft er geen oren naar. Het matrozenleven is niet meteen wat de fiere officier voor zijn zoon in gedachten heeft. 

*

Een afkeer voor het ruwe bestaan op zee was zeker niet voorbehouden voor deftige families als de De Gerlaches. 

Ondanks de uitstraling van de Antwerpse haven was het in Adriens tijd bijzonder droevig gesteld met het maritieme karakter in het land. 

Enkele jaren geleden durfde een partijvoorzitter nog luidop na te denken over het afschaffen van onze marine. 

U hoeft maar een blik op de actualiteit te werpen om te beseffen hoe onzinnig dat idee is.

Maar het is weinig geweten dat dit land tussen 1862 en de Eerste Wereldoorlog helemaal geen zeemacht had.[1]

In 1862 werd het laatste oorlogsschip uit dienst gehaald en het personeel van de Koninklijke Marine bedankt voor bewezen diensten. Ze gingen op in het leger of de burgervaart. België houdt enkel nog een papieren staatsmarine over die burgervaart bemant, zoals de ferrydienst tussen Oostende en Dover.

De Nationale Veiligheidsstrategie van toen kan in één zin samengevat worden: 

Terugtrekken naar Antwerpen, de stad eervol verdedigen en wachten op verlossing. België was immers neutraal, en had enkel een landleger nodig.

*

Auguste, de fiere officier, ziet dan ook niet in hoe zijn zoon Adrien de militaire familietraditie op zee verder zou kunnen zetten. 

Hij stuurt hem naar de École Polytechnique in Brussel om ingenieur te worden, de ideale studie voor een beloftevolle carrière in de landmacht.

Maar de roep van de zee is sterk. Zijn zomervakantie besteedt Adrien op zee. 

In 1883 maakt hij zijn eerste reis op een passagiersschip van de Red Star Line naar New York. 

U raadt het nooit, maar dat schip heette de Waesland!

Wanneer zijn vader ziet hoe Adrien wegteert tussen zijn boeken, kiest hij voor het geluk van zijn zoon. 

Adrien mag na drie jaar universiteit zijn bevlogen jongensdroom waarmaken en schrijft zich in aan de zeevaartschool in Oostende. 

Adrien bloeit helemaal open. Hij slaagt in zijn examen als tweede luitenant en vaart verschillende keren de Atlantische Oceaan over. 

Steeds meer raakt hij in de ban van de poolgebieden. 

In 1888 skiet de Noor Fridtjof Nansen dwars door Groenland – een ongelofelijke prestatie, een overwinning van de mens op de natuur. 

Na zijn terugkeer plant hij meteen een volgende expeditie, naar de Noordpool. 

Andere poolvaarders noemen Nansens plannen een absurde zoektocht naar zijn eigen ondergang, maar Adrien volgt het nieuws gretig. 

Wanneer hij op de ferry tussen Oostende en Dover Leopold II ontmoet en de koning hem vraagt of het prettig is de staat te dienen, antwoordt Adrien wellicht iets te eerlijk: “Prettig, maar eentonig.”

De familienaam en gedrevenheid van de jonge zeeluitenant ontgaan Leopold niet. Voor beide mannen was dit land veel te klein. 

Maar terwijl Adrien droomt van de polen, heeft de vorst zijn zinnen gezet op Midden-Afrika.

En dus biedt hij Adrien aan om het riviersysteem van zijn zogenaamde Congo-Vrijstaat in kaart te brengen. 

Adrien weigert. Dat valt niet in goede aarde. 

Maar daar ligt Adrien nog niet wakker van. 

In 1891 stelt hij zich kandidaat voor een expeditie van de Zweedse poolreiziger Adolf Eric Nordenskjöld. Maar hij krijgt geen antwoord.

Vanaf dan broedt Adrien op een nieuw plan: ervaring opdoen en op eigen houtje een expeditie op touw zetten. 

De kiemen van zijn grote ontdekkingsreis zijn gelegd.

*

Dames en heren

Onze zwakte is vaak ook onze sterkte.

De Gerlache is geen tafelspringer. Hij voelt zich veel meer op zijn gemak op open water dan in een mensenzee. 

Dat rustige, bedaarde karakter zorgt er echter voor dat hij zijn grote droom zeer berekend in werkelijkheid begint om te zetten.

In augustus 1894 behaalt hij de graad van kapitein ter lange omvaart. Hij is achtentwintig jaar en heeft genoeg zelfvertrouwen om een aantal toonaangevende wetenschappers aan te schrijven over zijn plannen voor een Zuidpoolexpeditie.

De keuze om zijn expeditie een wetenschappelijk karakter te geven, was niet evident. Maar ze was vanuit Adriens oogpunt wel logisch. 

De meeste poolreizen werden gesponsord door succesvolle ondernemers, op zoek naar walvissen en natuurlijke rijkdommen. Zij wierven daarvoor uiteraard liefst ervaren mensen aan, die vertrouwd waren met het poolgebied.

In België waren zulke profielen gewoon niet te vinden. Zelfs in Nederland was de walvisvaart eind negentiende eeuw bijna onbestaande.

Aan wetenschappers echter geen gebrek. En Adrien slaagt er algauw in om hun interesse te wekken. 

Begin januari 1895 ondergaat Adrien zijn vuurdoop. Hij mag zijn voorstel pitchen tijdens een vergadering van de wetenschapsafdeling van de Koninklijke Academie.

Adrien schetst er de vele mogelijkheden van zijn reis. Op de Zuidpool wacht een onontdekte schat aan wetenschappelijk materiaal. Het onderzoek ligt voor het grijpen.

De zaal is laaiend enthousiast. Aan steun dus geen gebrek.

Het enige wat Adrien nu nog nodig heeft, is een boot, een bemanning en uitrusting…

… en 300.000 frank om uit de kosten te komen.

*

300.000 frank was een gigantisch bedrag. Een mijnwerker – één van de best betaalde arbeiders – verdiende in die tijd ongeveer 1.000 frank per jaar.

Daarom waren tot dan toe ook alle initiatieven in andere landen om een wetenschappelijke expeditie naar de Zuidpool te organiseren steevast op financiële klippen gelopen.

Maar Adrien heeft snel zijn eerste meevaller te pakken.

De wetenschapper en industrieel Ernest Solvay geeft hem zonder aarzelen 25.000 frank. Het zet Adrien een heel eind op weg.

Minder goed nieuws is er uit koninklijke kringen. Adrien had Leopold II aangeschreven, maar die brief blijft ijzig onbeantwoord. 

De vorst is nog niet vergeten hoe De Gerlache zijn aanbod afsloeg. Bovendien heeft hij niets met de polen. Hij kan zich niet voorstellen waarom iemand tussen de ijsblokken zou willen gaan dobberen.

Het gebrek aan koninklijke steun weegt op het einde van de negentiende eeuw nog zwaar door. Het zorgt ervoor dat ook de regering niet staat te springen om Adriens onderneming te steunen. 

Uiteindelijk zal De Gerlache 140.000 frank zelf moeten bijeensprokkelen. Over heel het land wordt gretig geld ingezameld.

In Antwerpen vindt Adrien zijn grootste sponsors. In de havenstad is er veel sympathie voor de expeditie en De Gerlache wordt er warm onthaald. 

Leonie Osterrieth, een rijke weduwe, deelt Adriens passie voor ontdekkingsreizen en mobiliseert de Antwerpse fine fleur. Het ene benefiet na het andere moet de kas spijzen.

Tussen alle geldzorgen door slaagt De Gerlache erin een Noors schip te kopen waar hij al eerder zijn oog op had laten vallen: de Patria, een kleine driemaster en bewezen walvisvaarder. Hij doopt het om tot de Belgica.

In de zoektocht naar een ervaren bemanning werft De Gerlache in Noorwegen ook verschillende matrozen aan en vindt hij in de jonge Roald Amundsen een geschikte officier. 

Zijn expeditie kreeg nu echt vorm.

*

Dames en heren

In augustus 1897 is het eindelijk zover. De Belgica ligt voor anker op de Schelde, klaar voor haar reis naar ongekende oorden.

De Royal Yacht Club, die De Gerlache altijd zal blijven steunen, organiseert op Moederdag – Maria-Hemelvaart voor de niet-Antwerpenaren onder u – nog een laatste feestmaal.

Adrien, zijn officieren en de wetenschappers die deelnemen aan de expeditie genieten van een rijke maaltijd met Rijnse zalm (vandaag niet meer te vinden), filet de bœuf à la parisienne en gelei van eend.

Het dessert? 

IJs natuurlijk!

Daags nadien zijn de Scheldeoevers een “kolkende zee van vlaggen, hoeden en zakdoeken”. Tienduizenden toeschouwers komen de Belgische Antarctische Expeditie eer bewijzen.

Het Handelsblad schrijft lyrisch:

Wat al de beschaafde naties te samen niet konden tot stand brengen, dat heeft Meneer de Gerlache alleen in minder dan twee jaar tijds verwezenlijkt. 

Audaces fortuna iuvat: moge het geluk ook hen tegenlachen!

De Gerlache zelf blijft er kalm onder. Hij vindt dat zijn doel bereikt was. Hij heeft zijn schip, zijn bemanning en zijn uitrusting. 

Nu moet hij enkel nog doen waarvoor hij opgeleid was: varen. 

Hij zet koers naar Funchal, Rio en Punta Arenas. 

Midden januari 1898 vangt hij de oversteek aan naar de Zuidpool. 

Vanaf dan volgt radiostilte – of eerder telegramstilte. 

Vandaag krijgen we zelfs foto’s van de andere kant van de maan. Maar in een tijd zonder satelliettelefoons of cameraploegen waren de expeditieleden op zichzelf aangewezen.

Het duurt meer dan een jaar voor er in Brussel eindelijk weer een telegram aankomt. Twee expeditieleden hebben de reis niet overleefd, maar het schip is terug in de bewoonde wereld.

In de woorden van De Gerlache: “Zeer voldoende uitslagen; goede verzamelingen … verplicht te overwinteren; veel slecht weer, doch geen te hevige koude gedurende de overwintering, tenzij in september 43 graden beneden 0, daarna met den wind afgedreven, uit het ijs op 14 meert 1899. Naar Punta Arenas, waar wij aankwamen op 28 meert.

In die nuchtere passage zit veertien maanden verscholen van verwondering, ontdekking en overwinning. Maar ook van wrevel, ontbering en uitputting. 

Het duurt nog maanden voor alle bemanningsleden voldoende hersteld zijn om de terugreis aan te vatten. 

*

Dames en heren

Op 5 november 1899 wordt de Belgica feestelijk onthaald in onze stad. Maar de grote belangstelling blijft uit. 

De voorpagina wordt ingepalmd door de Boerenoorlog die enkele weken eerder is losgebarsten in zuidelijk Afrika en die de gemoederen stevig beroert.

Het contrast is duidelijk met de volksmassa die De Gerlache twee jaar eerder uitwuifde.

In Het Handelsblad verscheen een edito over het moeilijke begin van de expeditie, maar ze leest eerder als een voorspelling voor de vergetelheid die hem zou opwachten.

Ik citeer:

Wij herinneren ons het ontstaan der expeditie-de Gerlache. 

Onverschilligheid en vijandschap was al wat het gedacht ontmoette. Wat kon het ons schelen wat er ginder aan dien Zuidpool gebeurde? Wat kende de Gerlache van poolreizen? 

Dat heeten ze in België de landgenoten aanmoedigen. 

In Engeland, in Duitschland, in Frankrijk, zou iedereen het stoute initiatief der dapperen toejuichen.

Hier zijt ge een roekelooze als ge initiatief hebt, en noemt men u rijp voor Gheel als ge uw leven waagt voor de wetenschap, voor de beschaving en voor een ideaal.

Rijp voor Geel, maar mogelijk wel geliefd als programmamaker…

Zijn leven had De Gerlache zeer zeker gewaagd. 

Hij had fel geleden. Net als andere bemanningsleden had hij scheurbuik opgelopen tijdens de maandenlange overwintering. 

Te lang had hij het advies van de Amerikaanse arts Frederick Cook in de wind geslagen om pinguïnvlees te eten.

Pas toen hij zijn trots inslikte met een portie pinguïn, verbeterde zijn toestand. 

Het zwarte, taaie, vette en olieachtige vlees deed hem gruwelen, maar bleek een effectieve remedie tegen scheurbuik. 

In zijn reisverslag omschreef Adrien het later laconiek als volgt:

Pinguins zijn zeer nieuwgierig, een ondeugd die oorzaak is geweest dat menig dier intiemer kennis met ons maakte dan hem lief was, want wij hebben er een behoorlijk aantal van opgegeten.

Maar De Gerlache had met zijn eigenzinnigheid dokter Cook voor de borst gestoten. En dat was niet het enige conflict.

Het meest kwalijke was zijn ruzie met Roald Amundsen.

Na maanden vast te zitten op de IJszee was Amundsen erachter gekomen dat De Gerlache een contract had getekend dat hij enkel door een Belgische officier vervangen mocht worden als er iets zou gebeuren.

Als tweede officier en eerste stuurman zou de Noor dus gepasseerd worden door de derde officier, een Brusselaar die Amundsen volstrekt incompetent vond. 

Hij vond dat De Gerlache, die de plooien nog probeerde glad te strijken, zijn eer had geschonden en bood prompt zijn ontslag aan.

De getuigenissen van Cook en Amundsen over De Gerlache waren dus niet bepaald rooskleurig. Beide mannen groeiden uit tot beroemde poolreizigers. Daardoor werd hun versie van de reis breed bekend. 

In hun verslagen zouden ze het leiderschap en de kunde van De Gerlache in twijfel trekken. 

Zij hadden de Belgische Antarctische Expeditie tot een goed einde gebracht. Ze schreven De Gerlache eigenlijk de dieperik in.

Adrien slaagde er niet in om die perceptie te keren. Na zijn thuiskomst was hij fel verzwakt en kon hij door een aanslepende keelontsteking niet voor het grote publiek spreken.

*

Toen duidelijk werd welke namen hij allemaal had gegeven aan de wonderlijke plekken die hij ontdekt had, volgde een nieuw conflict. De Gerlache was gul voor al wie in hem had geloofd. 

Antwerpen kreeg een groot eiland. Mecenas Leonie Osterrieth een heuse bergketen. 

Maar nergens prijkte de naam “Leopold”. Erger nog: er was wel een Wilhelminabaai, als dank voor de steun van onze noorderburen. 

Die kaakslag ontging Leopold II niet. In de zomer van 1900 liep De Gerlache de vorst toevallig tegen het lijf. 

Men zegt, commandant, dat Boulogne een mooie zeehaven heeft,” was het enige dat Leopold over zijn lippen kreeg voor hij verderliep.

*

In wetenschappelijke kringen kreeg De Gerlache wel erkenning, maar hij zou er nooit meer in slagen op eigen kracht een tweede expeditie te organiseren. 

De Belgica kwam in handen van Philippe, de hertog van Orléans, een Franse troonpretendent die gediend had als stafofficier in Brits-India, bergen had beklommen in de Himalaya, leeuwen had geschoten in Ethiopië en als nieuwe hobby ijsbeerpelzen op zijn bed wilde draperen.

Dankzij de excentrieke hertog kreeg De Gerlache nog de kans om verschillende reizen te ondernemen naar het noorden. 

Hij zorgde er ook voor dat die avonturen een wetenschappelijk tintje kregen. De Gerlache bevoer de Arctische Oceaan en bezocht Spitsbergen, Groenland en Nova Zembla.

Hij stierf in 1934. 

Zijn nakomelingen zetten zijn traditie verder. 

Zoon Gaston vestigde in 1958 de Koning Boudewijnbasis. Kleinzoon François overwinterde in 1984 op Brabant eiland. En achterkleinzoon Henri beklom in 1998 de Vinson, de hoogste berg van de Zuidpool. En zo zijn al vier generaties De Gerlache poolreizigers.

Zijn publieke bekendheid beperkte zich echter tot straatnamen en het zeldzame standbeeld.

In 1938 kreeg hij in zijn geboortestad Hasselt een straat, als “dankbare herinnering aan den koenen Belgischen Zuidpool-reiziger”.

Tien jaar later vond ook Antwerpen een gepaste plek om hem te vereeuwigen. Op 5 september 1948 werd de Statiekaai omgedoopt in de De Gerlachekaai.

U vraagt zich misschien af waar de naam Statiekaai ter hoogte van het Zuid vandaan kwam. Ik vroeg het aan Tom, die eerst dacht aan het station Antwerpen-Zuid. Close, but no cigar

De Statiekaai verwees naar een ander station, dat tot de opening van de Scheldetunnels in 1933 in gebruik was en waar treinreizigers naar Gent over konden stappen op een veerboot naar Linkeroever om daar hun treinreis verder te zetten.

De naam van dat station?

Antwerpen-Waas!

De band tussen De Gerlache en Tom Waes is er dus van zijn eerste scheepsreis op de Waesland tot zijn laatste eerbetoon aan station Antwerpen-Waas.

Mocht Tom trouwens nog een suggestie behoeven om die schone traditie van wederzijds eerbetoon verder te zetten: 

De Gerlache vernoemde de oostkaap van het eiland Antwerpen naar mijn voorganger, burgemeester Jan-Baptist Van Rijswijck.

Ik geef het maar mee ter inspiratie voor Toms avonturen.

*

Dames en heren

Tom is niet de enige die De Gerlache eer aandoet.

De federale regering is er vorige week namelijk in geslaagd om een akkoord te bekomen over het nieuwe onderzoeksschip van de Belgische marine, de Belgica.

Dit schip, dat beheerd wordt door het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen maar sinds 2024 stil lag door een aanslepend conflict tussen verschillende betrokken organisaties, kan na bemiddeling door onze marine eindelijk volwaardig in dienst treden.

Het zal als opleidingsschip gebruikt worden, wetenschappelijke experimenten ondersteunen en innovatieve ontwikkelingen testen. 

Onder de vleugels van de marine zal het ook een bijdrage leveren tot de veiligheid van de Noordzee en van kritieke infrastructuur zoals zeekabels en windparken.

Het mag duidelijk zijn dat, anders dan tijdens het leven van De Gerlache, deze regering onze marine koestert en als fundament aanziet voor onze weerbaarheid in deze onzekere tijden.

We varen de onbekende poolzee misschien niet tegemoet, maar het voelt soms wel zo.

*

Dames en heren

Avontuur is gewoon een gebrek aan planning,” zou Roald Amundsen eens gezegd hebben.

Maar hoe bereidt iemand zich voor op het onbekende?

Vorige week zorgden de Artemis II-astronauten voor adembenemend mooie foto’s. 

Nog nooit waren mensen zo ver van de beschaving verwijderd. 

Aan hun missie ging jaren van plannen en oefenen vooraf, door talloze experts en gespecialiseerde bedrijven. En zelfs met al die voorbereiding bleef de missie een ongezien avontuur.

De Gerlache stond er voor zijn eigen missie grotendeels alleen voor. Maar ook hij verlegde de grenzen van de menselijke beschaving.

Hij was zeker geen meesterplanner, maar hij was wel een plantrekker. 

Net als Tom.

*

Ik wil u allen bedanken om naar mij te hebben geluisterd. Ik wil ook de Royal Yacht Club bedanken voor hun rijke traditie die uit dit verhaal nog maar eens blijkt. 

En ik wil uiteraard vooral Tom bedanken om tijdens deze hoogdag de schijnwerpers te willen richten op een man die misschien onbekend is, maar niet onbemind. 

En wiens onbekendheid door Toms inspanningen en nieuwe programma bij het brede publiek wellicht voor een hele tijd tot het verleden behoort.

Ik ben er verder zeker van dat het vooruitgangsgeloof van De Gerlache zijn stempel op de reeks zal drukken. Ook daar ben ik dankbaar voor, want dat geloof in de vooruitgang en onze menselijke kracht staat al te veel onder druk. 

De Gerlache leert ons dat verbeelding, volharding en durf ons tot voorbij de horizon kunnen duwen.

Dat is een verhaal dat we vandaag echt kunnen gebruiken.

Ik wens hem, de Tethys en haar bemanning dus alle succes toe.

En vooral: een behouden vaart.

Vaart wel!

Ik dank u.

 

 


 


[1] In 1914 werden ternauwernood enkele schepen van de douane en de loodsen uitgerust als kanonneerboot. Na de oorlog vond de Belgische regering het in 1927 welletjes en werd de marine een tweede keer opgedoekt. In 1939 werd ze halsoverkop opnieuw ingericht.