Toespraak- Boekvoorstelling biografie Hugo Schiltz

*** Toespraak gegeven op 4 maart 2026. Enkel het gesproken woord telt. ***

 

Dames en heren,

“Vlaanderen kent geen traditie van politieke biografieën,” zo luidt de openingszin van dit boek. 

Het is een rake vaststelling. 

Het veld van de politieke naslagwerken wordt inderdaad te veel bezet door memoireschrijvers.

Maar de memoire is een gevaarlijk genre – dat vond Wilfried Martens al. 

In de zijne schreef hij: 

“Elk levensverhaal is een opeenvolging van successen en mislukkingen. Aan de successen herinneren we graag. Mislukkingen plegen we te verdringen.”

Een memoire wordt dan ook vaak geschreven met de woorden van Shakespeare in gedachten, uit de beroemde rouwrede van Marcus Antonius: 

“The evil that men do lives after them; the good is oft interred with their bones.”

Die angst zet memoireschrijvers er krampachtig toe aan hun plaats in de geschiedenis veilig te stellen. Een ambitie die niet altijd leidt tot leesbare boeken.

De geschiedenis laat zich bovendien niet zomaar bedwingen. 

Zij moet eerst haar beloop hebben, alvorens ze eerlijk en volledig kan worden beschreven. 

Afstand in de tijd brengt helderheid.

Daarom is een kritische, zorgvuldige biografie van zo’n grote waarde.

We zagen dat recent nog in twee voortreffelijke werken: in de biografie van Frans Van Cauwelaert door Lode Wils, en in Voor moedertaal en vaderland over Hendrik Conscience van Johan Vanhecke. 

Deze notabelen van onze gemeenschap moesten een halve, soms meer dan een hele eeuw wachten op hun definitieve levensbeschrijving.

Tegen dan was Van Cauwelaert voor velen een nobele onbekende geworden. Zelfs in die mate dat de uitgever sponsoring moest vragen aan de stad Antwerpen om het boek gepubliceerd te krijgen. 

Gelukkig had de stad toen een burgemeester die zijn illustere voorganger wel kende en voor middelen zorgde.

Conscience was dan weer uitgegroeid tot een mikpunt van hoon en misprijzen in postmoderne kringen. 

Zijn standbeeld moest worden omgesmolten, en wie zijn oeuvre nog doorploeterde, was rijp voor het gesticht.

Zijn werk werd bespot, zijn naam beschimpt. Dat verdiende een gedegen wederwoord.

En dat heeft Vanhecke afgeleverd, een monumentaal eerbetoon.

Deze politieke biografie van Hugo Schiltz sluit naadloos bij die werken aan.

Wie dit werk leest, ontdekt al snel dat het méér is dan het verhaal van een buitengewoon boeiende en veelzijdige Vlaamse voorman. 

Het is tegelijk het verhaal van de opkomst en de gestage neergang van een partij. 

Het is een kroniek van de Vlaamse Beweging. 

Het is een reis langs de hoogte- en keerpunten van de naoorlogse Vlaamse geschiedenis. 

Kort voor zijn overlijden vertrouwde Schiltz een vriend toe: 

“Het onderwijs, de kennis van de geschiedenis en inzichten in de historische processen gaan achteruit. En een gemeenschap die haar eigen achtergrond niet kent, zal het moeilijk hebben om te overleven.”

Hij maakte zich daar ernstig zorgen over. En terecht. 

Want wie zijn verleden niet kent en begrijpt, verliest zijn kompas voor de toekomst. 

Deze indrukwekkende turf is dus bijzonder welgekomen. 

Ik wil de schrijver dan ook van harte lauweren. 

Voor zijn onverdroten toewijding en zijn noeste arbeid. 

Voor de inkijk die hij ons schenkt in een stuk van onszelf.

*

Dames en heren

Het politieke leven van Hugo Schiltz vertelt een verhaal over de wordingsgeschiedenis van het hedendaagse Vlaanderen.

De Vlaamse Beweging, die daar de fundamenten voor groef, onderging in de eerste helft van de twintigste eeuw een grondige gedaantewisseling.

Ten eerste was er een geleidelijke verschuiving van culturele naar economische belangen. 

In 1901 hadden proefboringen in Limburg steenkool bovengehaald. 

Als het arme Vlaanderen de vruchten van die ontluikende welvaart zelf wilde plukken, was een doorgedreven vernederlandsing van het hoger onderwijs onontbeerlijk. 

Daarnaast moest de Vlaamse identiteit doorgeduwd worden binnen vakverenigingen en het bedrijfsleven. 

“Taalbelang is stoffelijk belang. (…) De Vlaamse beweging is niet op te lossen langs sentimentele weg, maar kan enkel langs economische weg haar einddoel bereiken,” stelde Lodewijk De Raet.

Leo Meert, Lieven Gevaert, Julius MacLeod, August Vermeylen, Frans Van Cauwelaert en Camille Huysmans zetten zich net als De Raet onverzettelijk in om de sociale en economische ontvoogding van Vlaanderen mogelijk te maken. 

Hun ideologische verscheidenheid was groot, maar hun gezamenlijke erfenis beslissend.

Dankzij hen behoorde Hugo Schiltz tot de eerste generatie Vlamingen die volledig in het Nederlands kon opgroeien en onderwijs volgen. 

De culturele strijd was evenwel niet overal gestreden. De rechten van Vlamingen in Brussel, in de rand en langs delen van de taalgrens staan tot vandaag onder druk.

Die strijd stond ook niet los van een andere gedaantewisseling van de Vlaamse Beweging: die van patriotisme naar politieke verzelfstandiging.

Het flamingantisme was in de tijd van Hendrik Conscience nog volledig ingebed binnen de Belgische vaderlandsgedachte. 

De zelfbewuste Vlaming die trots was op zijn Nederlands en tegelijk vloeiend Frans sprak, was in dat opzicht een echte patriot: un belge complet – een volmaakte Belg. 

De erkenning van de Nederlandse taal moest van België een volwaardige tweetalige natie maken. 

De opeenvolgende taalwetten die uit dat streven voortkwamen en de democratisering van het politieke landschap doorprikten vervolgens de illusie dat België eentalig Frans zou worden. 

Dat zorgde voor een crisis in bepaalde Waalse en Franstalige kringen.

In hun ogen was het Frans het verlichte voorportaal tot de universele beschaving. 

Het voorstel dat het Nederlands het Frans zou vervangen aan de Gentse universiteit, was dan ook ronduit verwerpelijk – een vorm van “wetenschappelijk vandalisme”, in de woorden van een vooraanstaand liberaal minister. 

Deze verwaandheid was de echte doodgraver van België als natievormende kracht. 

En toen ik vorige week een PS’er in de Kamer hoorde zeggen dat een functionele kennis van het Nederlands nog steeds te hoog gegrepen is als eis voor een benoeming als rechter in het grondwettelijk hof, dan weet ik wie er nog steeds aan dat graf verder delft.

Jules Destrée verwoordde het destijds nog zonder de scrupules die men vandaag valselijk voorwendt. 

Vlaanderen was kleingeestig en kwezelig, Wallonië vrijdenkend en vooruitstrevend.

Het afwijzen van de legitieme verzuchtingen van de Vlaamse volkswil leidde ertoe dat de Vlaamse Beweging – over partijgrenzen heen – de weg insloeg naar politieke ontvoogding.

In dát Vlaanderen werd Hugo Schiltz geboren. De zaden van economische en politieke ontvoogding waren net geplant. 

Maar ze brachten onvermijdelijk twee spanningsvelden met zich mee: economisch tussen links en rechts, en politiek tussen evolutie en revolutie.

De revolutionaire vleugel had tijdens de jonge jaren van Schiltz de wind in de zeilen. 

Ze geraakte in de jaren dertig algauw in de ban van de Nieuwe Orde, een keuze waarin ze tijdens de bezetting grotendeels volhardde. 

Daarmee delfde ze haar eigen ondergang en bezoedelde ze haar nalatenschap. 

Schiltz zou – zoals zovelen – nooit meer genieten van de “slaap der zuiveren”. 

Zijn hart bleef Vlaams. Maar hij trok uit het oorlogsverleden wel waardevolle lessen die hij in de werkelijkheid wilde doorvertalen. 

De politiek was daarvoor een vanzelfsprekende roeping. 

En zijn politiek was die van de verantwoordelijkheid, niet van de drammerigheid.

Net als Frans Van Cauwelaert zou Schiltz daarom de zeldzame eer te beurt vallen om zowel “vijand des vaderlands” als “verrader des volks” genoemd te worden. Een eer die ik intussen deel.

*

Dames en heren

De Volksunie waarbij Schiltz zich uiteindelijk aansloot, werd gebouwd op de ruïnes van een Vlaamse Beweging die door de collaboratie besmeurd was. 

Amnestie leefde emotioneel sterk bij vele leden, maar de partij kreeg van in de wieg een duidelijk rationele en communautaire opgave.

In gevangenschap had voormalig VNV-leider Hendrik Elias zijn advocaat Frans Van der Elst aangespoord om de politieke wederopstanding van de Vlaamse Beweging in een democratische, parlementaire plooi te leggen.

Deze strategische keuze voor evolutie in de plaats van revolutie ging gepaard met het voorstel om België om te vormen tot een federale staat. 

Van der Elst zou zich daar als voorzitter twintig jaar voor smijten. Het was in zijn ogen de voornaamste bestaansreden van de partij. 

Hij zag de Volksunie als een drukkingsmiddel om België te federaliseren. Daarna mocht de partij verdwijnen.

Volgens Schiltz ging het debat over federalisme echter niet alleen over de staatsstructuur. 

Vlaanderen moest de dingen zelf kunnen doen, dat zeker. 

Maar Vlaanderen moest de dingen vooral anders doen. 

De Volksunie had dan ook een volwaardig socio-economisch programma nodig. 

Ze moest verbreden en verdiepen. 

Schiltz keek daarvoor naar links.

Hij had daarvoor de tijdsgeest mee.

Het Vlaanderen van de jaren zestig werd welvarend. 

Tegelijk waren er redenen om te geloven dat de conservatieve grondstroom in Vlaanderen zou kantelen. 

Gisteren kreeg ik op kantoor vanwege Annemie Vandecasteele een bundel documenten afgeleverd op kantoor met de dringende vraag die te lezen voor deze speech. 

Het was briefwisseling uit de sterfperiode van de Volksunie begin deze eeuw. 

Daarbij zat een analyse geschreven door een jonge historicus uit het partijbestuur over “het ziektebeeld van de Volksunie”. 

Hij schreef dat nationalisme geen ideologie is en zich maatschappelijk laat bevruchten in een welbepaalde context. 

Die context zorgde in de jaren 1960 voor nieuwe kansen, een sociaal-progressieve bruid diende zich aan voor het Vlaams-nationalisme. 

Maar, zo schreef de jongeling, die moest de strijd aangaan met de weduwe van de jaren 1930 waarop velen aan de basis in min of meerdere mate verliefd waren gebleven.

Die strijd zou het politieke levensverhaal van Schiltz gaan beheersen en hem ook persoonlijk zeer zwaar tekenen. 

Maar met mei ‘68 aan de horizon was het dus allesbehalve vreemd dat Schiltz nieuw kansen en een nieuwe kiezersmarkt zag.

De Vlaamse Beweging had een traditie om kleinburgerlijke belangen te verdedigen. 

Die kon zonder veel moeite omgesmeed worden tot een verhaal van verzet tegen de haute finance en de bourgeoisie

Er kondigden zich bovendien maatschappelijke veranderingen aan. 

De gelijkheid van man en vrouw, de seksuele vrijheid en het aanvaarden van persoonlijke levenskeuzes zouden in het van oudsher behoudsgezinde Vlaanderen steeds meer genormaliseerd worden.

In april 1967 kreeg Schiltz een uitgelezen kans om zijn Vlaamse, progressieve lijn te verfijnen. 

In Leuven broeide op dat moment het studentenprotest voor de splitsing van de universiteit. 

Franstalige katholieken hadden enkel onbegrip voor de eisen van hun Vlaamse geloofsgenoten, maar de universiteit barstte uit haar voegen en de kerkelijke leer werd door vele studenten moeiteloos omgewisseld voor de pensée unique van postmodernisten en marxisten.

Schiltz wilde dat speelveld niet openlaten voor socialisten – of erger. 

En dus zakte hij in coltrui en blazer af naar Leuven om de studenten op het hart te drukken dat hun strijd een Vlaamse strijd was, en dat de Volksunie het politieke instrument was om die strijd in daden om te zetten.

Het werd voor Schiltz een warm bad. 

Tussen de Leuvense studenten, de Vlaamse avant-garde, voelde hij zich opperbest. 

Dáár moest de Volksunie zijn: dicht bij het volk. 

Hij kon er zijn Vlaamsvoelendheid rijmen met zijn links-liberale overtuiging. 

Zijn opstandig trekje zou hem er echter nooit toe aanzetten om de gemoederen op te hitsen. 

Schiltz zou altijd de man van “Leuven Vlaams” blijven. 

Hij voelde zich dus geenszins verbonden met het “Walen Buiten” van de harde kern. De botsing en finaal de breuk daarmee zat er dus van meet af aan al aan te komen. 

Op 10 februari 1968, na maanden van protest, lieten de Belgische bisschoppen hun voorbehoud bij de splitsing van Leuven vallen. 

Drie dagen eerder was de regering er nog over gevallen. 

De doodsklokken luidden over het unitaire België. 

De Volksunie ging de vervroegde stembusgang van maart vol zelfvertrouwen tegemoet met de slogan “Vlaamse macht. Vlaamse welvaart.” – een klinkende leuze, al zeg ik het zelf.

De kiezing was voor de Volksunie een triomf. 

De partij behaalde 20 zetels in de Kamer. Tien jaar eerder was ze begonnen met één zetel.

De jaren zeventig boden zich aan met de vraag of de partij die electorale zegetocht in verantwoordelijkheid en verwezenlijkingen zou kunnen omzetten. 

Van der Elst, die de blik op het communautaire luik gericht wilde houden en daardoor te weinig ruimte liet om de partij een ruimer profiel aan te meten, werd in 1975 als voorzitter opgevolgd door Schiltz.

Schiltz, met zijn gekende flair en welbespraaktheid, kon de Volksunie twee jaar later naar een regeringsdeelname loodsen. 

Voor hem was dat essentieel. Enkel door in de regering te zitten, kon de partij haar invloed uitoefenen om hervormingen door te voeren. 

Maar elke hervorming zou onvermijdelijk de kritiek met zich meebrengen dat het “niet genoeg” was. 

Een onvoldoende die voor de harde kern vooral en bovenal een kans was om de bruid van de jaren 1960 weg te jagen uit de partij.

Het Egmontpact bracht dan ook een eerste deuk toe in het succesverhaal dat de Volksunie geworden was. 

De radicale, emotionele kern ging een eigen weg: onverzoenlijk anti-Belgisch, maar vooral ook opnieuw ongezouten uiterst rechts. 

Een groot electoraal succes werd dat niet meteen voor hen, maar wel voldoende om te overleven en tijden te kunnen afwachten waar de maatschappelijke context in Europa opnieuw de zegeklokken voor radicaal rechts deed luiden.  

Vanaf dat moment betrad de Vlaamse gedachte de politieke arena in gespreide slagorde.

Aan de ene kant stonden degenen die “gedaan met geven en toegeven” scandeerden, naar het pamflet van dwarsdenker Mark Grammens – die overigens noch voor Schiltz noch voor mezelf veel vriendelijke woorden over had.

Aan de andere kant bevonden zich de ijveraars van “gedaan met treuren en zeuren”, zoals Schiltz Grammens van antwoord diende.

Schiltz durfde ongemeen uithalen naar wat hij de “wandluizen” noemde, omdat hij goed genoeg wist welke schade zij de Vlaamse zaak toebrachten. 

Wie enkel zijn wensen voor waar neemt, geen verantwoordelijkheid wil dragen en doelbewust met beide voeten in de modder blijft wroeten, kan nooit de politieke mogelijkheden ontvouwen om werkelijke hervormingen door te voeren.

Zo iemand kan ten eeuwigen dage de zuivere maagd blijven en lustig prediken voor eigen kerk. 

Maar als ’s avonds de zon ondergaat en de nacht haar deken spreidt, is er niets veranderd. 

Schiltz zou zich tegen die gemakzucht altijd halsstarrig verzetten. En daar volg ik hem volledig in.

*

Dames en heren

Vlaanderen is een middel en geen doel op zichzelf. 

Vlaanderen is een middel om de koers te varen die door de Vlaamse volkswil wordt gezet.

De ondergang van de Volksunie lag besloten in haar onvermogen om de veranderende Vlaamse volkswil te capteren en te instrumentaliseren. 

De Volksunie mobiliseerde op de culturele onderschikking van de Vlamingen. 

Toen die verdween, miste de Volksunie de interne spankracht om een paradigmashift te maken. Van blocked mobility naar blocked economy en blocked democracy

De Volksunie verloor daarmee haar aspiratie om de leidende volkspartij te worden. 

Opeenvolgende regeringsdeelnames ondergroeven de verder afbrokkelende ideologische fundamenten van de partij. 

Schiltz zag in het verdwijnen van de Volksunie een regressie van het Vlaams-nationalisme die hem emotioneel zwaar raakte, waardoor hij mijns inziens een zeer foute inschatting maakte van de situatie en waardoor hij zeer zware woorden sprak over de groep die de N-VA zou stichten en uitbouwen, waaronder ikzelf dus. 

En het spijt me, maar daarin was hij naar mening volledig fout.

Een Vlaams-nationale partij moet de mainstream van de Vlaamse volkswil capteren en instrumentaliseren. 

Haar ambitie kan niet minder zijn dan de leidende volkspartij te zijn. 

Zo’n Vlaams-nationale partij moet ook durven regeren, en zo’n partij kán regeren, zelfs zonder staatshervorming, zolang ze maar beleid voert dat voldoende beantwoordt aan wat de grondstroom van Vlaanderen verlangt. 

Dat is zelfs haar ultieme roeping. 

Idealiter kan ze regeren met een goede en grondige staatshervorming. 

En haar roeping om de Vlaamse grondstroom om te zetten in beleid zal haar onvermijdelijk altijd opnieuw naar de institutionele kwestie brengen. 

Want de Belgische staatsstructuur die tussen Egmont en Lambermont op initiatief, met medewerking of met steun van de Volksunie uitgetekend werd, heeft weliswaar gezorgd voor een verregaande, culturele en economische ontvoogding van Vlaanderen.

Maar anderzijds werd er daarvoor een federale staat gecreëerd die niet functioneert: ze is niet transparant, geldverslindend, inefficiënt. 

De beste oplossing is verdere verzelfstandiging door te duwen.

Het is volgens mij de énige oplossing, want relevant schaalvoordeel voor supranationaal beleid – en daarmee bedoel ik beleid dat onze eigen, Vlaamse democratie overstijgt – zullen we eerder in Europa dan in België moeten zoeken in de wereld zoals die zich aandient. 

Zij die daarbij denken dat het systeem vanzelf zal kraken, beelden zich iets in. 

De kookwekker van de bomma gaat ons niet redden. 

Het zal aankomen op politici die de competentie, de durf en de verantwoordelijkheidszin hebben om van de tribune af te dalen naar de arena. 

En eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de weg vooruit er bijzonder troebel en heikel uitziet.

Schiltz sprak in de Senaat na het Sint-Michielsakkoord:

“Als men mij de vraag stelt of België blijft bestaan en of deze hervorming niet de wachtkamer van het separatisme is, dan heb ik de neiging te antwoorden: Ik weet het niet. (…) België zal blijven bestaan zolang de Belgische structuur als dusdanig een meerwaarde oplevert zowel voor Vlamingen als voor Walen.”

Dat was voor hem op dat moment wellicht de nuchtere waarheid. 

Ondertussen is de vraag echter of we die Belgische structuur nog kunnen aanpassen, zelfs als ze overduidelijk géén meerwaarde meer zou opleveren voor Vlamingen en Walen.

Alle veranderingen zitten vast in het “betonnen beleid”. Zeker institutionele verandering lijkt totaal geblokkeerd. 

Het duurzame antwoord om ons daarvan te ontwortelen, is het confederalisme als nieuw paradigma om het Belgisch federalisme te vervangen.

Dat blijft mijn – geheel persoonlijke en ideologische – overtuiging.

Maar als dat niet mogelijk is, en áls – en enkel áls – er een kans is om langs federale weg aan de Vlaamse volkswil tegemoet te komen, dan is het onze plicht om daar verantwoordelijkheid in te nemen. 

Meer nog: er is geen redelijke andere keuze mogelijk uitgenomen zelf opgelegde irrelevantie. 

Dit is wat we de fortdoctrine hebben genoemd. 

Dat is de keuze die ik vorig jaar maakte. 

Het is een keuze waarvan ik voel dat ze ook binnen de Vlaamse Beweging gedragen wordt, ook al is ze zeer riskant. 

Het politieke leven van Hugo Schiltz blijft een dankbare en waardevolle les op deze tocht, want zoals ik zei: menselijk handelen is zeer robuust. 

Van Hugo Schiltz leren we dat overtuiging en verantwoordelijkheid geen tegengestelden hoeven te zijn. 

Maar dat wie verantwoordelijkheid neemt, zijn overtuiging wel nog altijd moet herkennen als hij in de spiegel kijkt.

Deze biografie is daarom meer dan een historisch relaas. Ze spoort ons aan om na te denken over de weg die we afleggen, over wie we zijn; over waartoe we geroepen zijn. 

Wie Schiltz wil begrijpen, moet dit boek lezen. 

Wie het hedendaagse Vlaanderen wil begrijpen evenzeer.

Ik dank u.