Speech- Wintercircus Gent
***This speech was delivered on March 4 in Ghent. Only the spoken word counts***
Dames en heren,
Het is mij een genoegen om deze Gentse techparel eindelijk eens te kunnen bezoeken.
Ik wil VOKA Oost-Vlaanderen en het Wintercircus dan ook van harte bedanken voor hun uitnodiging.
En u allen om tijd te maken om naar mij te komen luisteren.
*
U moet het mij vergeven, maar wanneer ik als bescheiden Antwerpenaar aan Gent denk, schiet het vers van Karel Ledeganck mij steevast te binnen.
In zijn De Drie Zustersteden uit 1846 dichtte hij over zijn thuisstad:
“Gij zijt niet meer, gelijk weleer, de trotsche wereldstad, die koningen deed beven.”
Ledeganck ligt op het Campo Santo. En het Gent waarover hij dichtte evenzeer.
De wereld is radicaal veranderd.
Onze wereld draait niet langer om koningen – present company excluded uiteraard, Koninklijke Hoogheid.
Onze wereld draait vandaag om innovatie en talent. Wie het talent heeft en innovatie beheerst, mag zich kronen tot een hedendaagse king of tech.
Met tal van digitale succesverhalen en vier unicorns heeft de Arteveldestad een palmares waar ze ongemeen trots op mag zijn.
Wat een verademing om te zien hoe onze toekomst hier vorm gegeven wordt.
Hulde aan al wie daar mee de schouders onder zet!
*
Dames en heren
Vandaag wil ik het met u hebben over het economische en strategische belang van technologische en digitale innovatie. En het verleden van dit gebouw sluit daar eigenlijk naadloos bij aan.
In zijn rijke geschiedenis was het Wintercircus niet altijd een spektakelzaal. De meeste Gentenaren, behorende tot mijn generatie of nóg ouder, zullen dit gebouw associëren met auto’s.
Het verhaal daarachter gaat als volgt.
Het jaar is 1938 en Ghislain Mahy is op zoek naar een grotere en opzienbarende locatie voor zijn autogarage. Hij overweegt naar verluidt eerst om zijn toonzaal in het Gravensteen te vestigen.
Zijn vrouw haalt hem algauw uit dat droombeeld. Je kunt in Gent middeleeuws erfgoed wel omtoveren tot een fietsenstalling, maar een garage, dat is ondenkbaar.
En dus valt Mahy’s oog op het Wintercircus. Die zaal heeft zijn beste dagen op dat moment achter zich, en de uitbaters hebben wel oren naar een goede deal. Al gauw bereiken beide partijen een akkoord.
“Wegens de zeer aanstaande opening hunner groote moderne garage totale uitverkoop,” valt wekenlang in De Gentenaar te lezen. We zijn de zomer van 1939.
Nog geen jaar later, net wanneer de nieuwbakken Garage Mahy de deuren wil open, valt België ten prooi aan de bezetting. Het zal nog jaren duren vooraleer Mahy terug auto’s kan verkopen. In tussentijd begint hij de oldtimers te verzamelen waar zijn naam tot vandaag mee verbonden blijft.
Uit Mahy’s verhaal kunnen we een aantal lessen trekken.
Ten eerste: men had vroeger iets minder bezwaar tegen verandering en tegen zaken doen. Een statige evenementenhal omtoveren tot een garage, ik wil het u nu zien proberen. Het omgekeerde is de regel geworden: van business naar leisure.
Ten tweede: the events eisen altijd hun tol. De geschiedenis wacht niet. Geopolitieke koerswijzigingen, gewapende conflicten of technologische omwentelingen houden geen rekening met businessplannen. Die les is de voorbije jaren met harde hand opgefrist.
En ten derde: wie vooruit wil, moet durven. Durven investeren. Durven uitbreiden. Durven vernieuwen.
Die durf zit hier dus in de bakstenen gebakken.
*
Dames en heren
Net als het Wintercircus vandaag was de auto lange tijd hét symbool bij uitstek van technologische vooruitgang en stijgende welvaart.
De wagens die Mahy hier na de Tweede Wereldoorlog binnenreed, waren in niets vergelijkbaar met de voertuigen waar we vandaag mee rondrijden.
De automobielindustrie draait tegenwoordig niet meer alleen op staal en brandstof, maar ook op batterijen, data en algoritmen.
Die evolutie heeft in Europa – en zeker in dit land – een bijzonder wrange ondertoon.
Zo’n dertig jaar geleden assembleerde België de meeste wagens per capita ter wereld. BMW deed dat bijvoorbeeld in Kontich toen ik daar als peuter rondliep.
Nadien schoof de productie onverbiddelijk naar het oosten op. Ondertussen is China goed voor een derde van de globale assemblage.
Bovendien komt bijna 80 procent van de autobatterijen uit het Oosten. Europa is goed voor een magere 3 procent.
Nochtans blijft Europa hét autocontinent bij uitstek. Bovenaan de lijst van Europese bedrijven die het meest in R&D investeren, prijken de namen Volkswagen, Mercedes, BMW en Bosch.
De kennis en het onderzoek zijn er dus wel degelijk.
Zelfs al ontglipt de productie van auto’s ons, we zouden mogen verwachten dat Europa een sterke grip behoudt op technologische innovatie in de sector.
Maar hoe komt het dan dat er ondertussen in talloze steden aan de andere kant van de Atlantische oceaan zelfrijdende taxi’s rondrijden en daar in Europa nog nergens sprake van is?
Die vraag wordt nog ongemakkelijker als we eens kijken naar de geschiedenis van autonome voertuigen.
In 1994 reden twee zelfrijdende Mercedessen over de snelwegen van Parijs.
Ze reden aan snelheden tot 130 kilometer per uur. Wisselden van rijstrook, reden in konvooi en haalden andere wagens in.
Ze deden dat in complexe verkeerssituaties en zonder GPS – een militaire technologie die pas twee jaar later door president Clinton opengesteld zou worden voor burgerdoeleinden.
De wagens maakten onderdeel uit van een enorm duur Europees onderzoeksprogramma, Prometheus.
De Duitse ingenieur Ernst Dickmanns had er samen met talloze wetenschappelijke instellingen en bedrijven sinds het einde van de jaren tachtig aan gewerkt.
Prometheus was een succes. De fundamentele eigenschappen van wat we vandaag “autonoom rijden” noemen, werden toen vastgesteld.
We mogen de zelfrijdende auto dus eigenlijk een Europese uitvinding noemen.
Maar wat gebeurde daarna?
Niets.
In 1994 was de industrie niet klaar om op grote schaal zelfrijdende auto’s zoals Dickmanns’ Mercedessen te gaan produceren. Het ging om demonstratievoertuigen.
De verfijning van de cameratechnologie, de chips, de software die nodig zijn om het Promotheus-project te commercialiseren, zouden nog even op zich laten wachten.
We liepen dus niet achter. We waren te vroeg.
Het zou uiteindelijk 10 jaar duren vooraleer er opnieuw een ernstige poging werd gedaan om de zelfrijdende auto leven in te blazen.
Ditmaal niet op de ring rond Parijs. Maar in de Mojave-woestijn tussen Californië en Nevada.
Het initiatief kwam van DARPA, het onderzoeksvehikel van het Amerikaanse leger.
DARPA mogen we wellicht een van de meest succesvolle publieke incubatoren ter wereld noemen. Het agentschap heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de personal computer, het internet, virtual reality en mRNA-vaccinatie.
In tegenstelling tot het Europese Prometheus-project, dat groots en duur opgezet was en een fors eisenpakket had meegekregen rond veiligheidsvoorwaarden en technische standaarden, was het uitgangspunt van de DARPA Grand Challenge van 2004 doodeenvoudig.
Laat een voertuig zelfstandig van A naar B rijden.
Het moest zelfs geen auto zijn, ook motorfietsen mochten deelnemen.
Tal van bedrijven en technische topuniversiteiten, zoals Virginia Tech en Carnegie Mellon, schreven zich in.
Het resultaat?
Geen enkel voertuig bereikte zijn bestemming.
En dus probeerden ze het opnieuw.
Een jaar lang werkten de studenten van de deelnemende teams aan het verbeteren van hun technologie.
Met succes. Tijdens de herkansing slaagden vijf teams erin de eindmeet te bereiken.
De winnaar was de omgebouwde Volkswagen Touareg van het Stanford-team onder leiding van de in Duitsland geboren computerwetenschapper Sebastian Thrun.
Net als talloze andere knappe koppen die aan de DARPA-wedstrijd meededen, werd Thrun vervolgens benaderd door Google. Hij lag aan de basis van Google X, het moonshotprogramma van de techreus, en van dochterbedrijf Waymo – marktleider op vlak van autonoom rijden.
Een technologie die haar eerste grote succes boekte in Europa, werd dus gecommercialiseerd in Amerika.
Een Europese doorbraak werd een Amerikaans businessmodel. Klinkt dat niet heel bekend?
*
Dames en heren
Hoe komt het toch dat Europa zulke kansen laat schieten?
Het verschil tussen Europa en de VS zit niet in kennis. Het zit in het ecosysteem: schaal en kapitaal.
Ten eerste heeft Europa een enorm kapitaalprobleem.
We zijn goed voor ongeveer 5 procent van het risicokapitaal in de wereld. De VS doet het tien keer beter. De helft van alle risicokapitaal zit dus over de oceaan.
Geen wonder dat een bedrijf als Google studenten kan afsnoepen om te experimenten met baanbrekende technologieën.
Voor disruptieve ontwikkelingen die hoge risico’s en hoge investeringen met zich meebrengen, is een eengemaakte kapitaalmarkt met sterke private spelers nu eenmaal noodzakelijk.
Europa heeft die niet.
Nochtans ontbreekt het ons allerminst aan kapitaal. Volgens de meest recente cijfers van de Nationale Bank staat er ongeveer 302 miljard euro op Belgische spaarboekjes.
Dat is kapitaal dat veiligheid zoekt, en als trouwe spaarder begrijp ik dat volkomen. Maar het is ook kapitaal dat zelden Europese schaal en innovatie financiert.
Tegelijk investeren institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen massaal in de VS. Samen met Belgische gezinnen hebben ze zo’n 108 miljard euro aan Amerikaanse effecten in hun portefeuille.
We slagen er dus niet in om op ons eigen continent risicokapitaal vrij en vlot te laten stromen, maar financieren ondertussen wel mee de Amerikaanse Droom.
We exporteren kapitaal en importeren technologie.
Een tweede probleem zit bij de interne markt en de regelgeving. Opschalen is in Europa zoveel moeilijker.
Slopende administratieve lasten, logge en onzekere vergunningstrajecten, barrières op de arbeidsmarkt en een beklemmend reglementair kader verlossen jonge ondernemers al snel van hun wilde dromen.
In de Europese Unie zijn er meer dan tweemaal zoveel mensen bezig met het implementeren en monitoren van regels dan met innovatief onderzoek.
1,7 procent van de Europese werknemers werkt aan de technologie van de toekomst, maar 3,9 procent besteedt zijn werkdag aan het opvolgen van alle regels.
Geen wonder dus dat “opschalen” in Europa al te vaak neerkomt op “verhuizen”. Eén op drie Europese unicorns deed dat dan ook, meestal naar de VS.
Het ontbreken van die eengemaakte Spaar- en Investeringsmarkt en onze gefragmenteerde interne markt met zijn complexe regels liggen aan de grond van het derde en laatste probleem.
Het probleem van risicocultuur.
In Silicon Valley en in Austin lopen twintigers rond die een fortuin hebben gemaakt met tech.
De meesten van hen kiezen er echter voor om niet zomaar te gaan rentenieren op een exotisch eiland. Ze riskeren soms heel hun vermogen in andere startups of gooien de boeg van hun eigen bedrijf 180 graden om in de zoektocht naar een volgende doorbraak.
Er moet iets zijn dat deze ondernemers drijft. Het vooruitzicht op nog meer geld – uiteraard. Maar er is meer in het spel. Macht, glorie en eer – wellicht. Een plaats in de geschiedenisboeken. Maar er komt ook trots bij kijken.
In Silicon Valley gaat het zelfs zo ver dat men niet alleen trots is op successen maar ook op mislukkingen. Een fiasco wordt er gevierd en gemythologiseerd als ware het een oorlogswonde. Want het feit dat iemand het risico is durven aangaan, verdient respect op zichzelf.
De gedrevenheid, het enthousiasme en het doorzettingsvermogen van zulke ondernemers en risico-investeerders is in Europa niet afwezig, maar ons systeem beloont hen minder wanneer ze groot durven denken.
De Gentse Netlog-maffia is een toonvoorbeeld van hoe het anders kan.
Maar ze is jammer genoeg een uitzondering.
De mindset dat succes niet vies is, maar net leidt tot meer succes, kunnen we hier onvoldoende cultiveren.
*
Dames en heren
Samen verlammen die twee problemen ons vermogen tot economische groei en innovatie.
Ze zorgen ervoor dat Europa in groeiende mate afhankelijk werd van andere landen.
Energie uit Rusland. Industrie en grondstoffen uit China. Technologie en defensie uit de VS.
Ik geef een voorbeeld dat in deze zaal bijzonder pertinent is.
Onze digitale infrastructuur, die strategisch even belangrijk is als onze energievoorziening of militaire capaciteit, is grotendeels uitbesteed aan Amerikaanse bedrijven.
Slechts 15 procent van de Europese data staat op Europese servers. Grote Amerikaanse spelers zijn goed voor meer dan 70 procent van de Europese data.
We zijn dus eigenlijk huurders in het digitale huis van iemand anders.
Dat hoeft op zich niet erg te zijn. Wie de eerste stappen op de woonmarkt zet, zal vaak huren. Met in de oren de stem van mama of papa: “Dan kun je ondertussen geld opzij zetten om iets te kopen.” Op korte termijn kan huren financiële flexibiliteit geven en minder verantwoordelijkheden opleveren.
Maar wat met de lange termijn? En wat als de huisbaas ineens beslist om u eruit te zetten?
Dat vraagstuk biedt zich vandaag prangend aan. Want als marktgedreven denken bij de huisbaas plaatsmaakt voor imperiaal denken, wordt het ronduit gevaarlijk.
Onze digitale afhankelijkheid is momenteel een bedreiging, zowel politiek als economisch.
Dat is de reden waarom Vlaanderen enkele jaren geleden het datanutsbedrijf Athumi oprichtte.
Dat is de reden waarom technologie de kern vormt van de Europese strategische autonomie.
Digitale soevereiniteit betekent niet dat we ons moeten afsluiten van de rest van de wereld. Dat is niet realistisch en niet wenselijk.
We moeten ook niet de grootste of de beste zijn.
We moeten onmisbaar zijn.
Digitale soevereiniteit kunnen we enkel waarmaken door voluit in te zetten op innovatie.
Innovatie is onontbeerlijk voor economische groei.
De Nobelprijswinnaars van vorig jaar herinnerden ons eraan: economische groei is historisch gezien de uitzondering, niet de regel. Productiviteit stijgt alleen wanneer innovatie plaatsvindt. En innovatie is geen natuurwet.
Innovatie komt voort uit talent en uit durf.
De schattingen lopen erg uiteen, maar de komende jaren kan AI duizenden miljarden aan economische waarde creëren.
De relevante vraag is echter niet hoeveel waarde er zal worden gecreëerd, maar wáár.
Onlangs was ik in gesprek met Arthur Mensch van het Franse Mistral. Hij vertelde dat artificiële intelligentie de regels herschrijft van wie aan de technologische race kan meedoen.
AI is een equalizer. Met de juiste infrastructuur en het juiste talent is het mogelijk om een inhaalbeweging te maken.
De technologische race is met andere woorden geen sprint maar een hordeloop. Wie voorop loopt, kan vallen. En wie achterop loopt, kan snelle sprongen maken.
Europa mag dan wel achterop lopen, we lopen nog altijd mee.
Ik weet niet of ik het optimisme van Mensch geheel deel. Maar er beweegt wel wat ten goede.
Het besef over de urgentie van het wegwerken van de interne barrières in onze markt en de nood aan een echte kapitaalmarkt is er.
Op de Europese top in Alden-Biesen hebben we besloten om op korte termijn een roadmap voor te stellen voor diepere integratie op vlak van digitale infrastructuur, kapitaal en energie.
Werken aan digitale soevereiniteit, betekent investeren in AI-infrastructuur. In cybersecurity. In cloud-architectuur. In telecommunicatie.
De lijst is lang. De verwachtingen hoog.
De Europese Commissie en de lidstaten investeren ondertussen volop in die digitale capaciteit.
Vlaanderen geeft daarbij zeker het goede voorbeeld. Een paar weken geleden was ik nog bij IMEC voor een nieuwe onderzoeksfaciliteit. Dat zijn momenten waar ik trots en gelukkig van word.
Als overheden investeren en stimuleren we dus. We creëren kaders en regels – in het geval van Europa dat van die regels iets té ijverig en proactief, zou ik zeggen.
*
Dames en heren
Overheden kunnen randvoorwaarden stellen, kapitaal mobiliseren en drempels verlagen. Maar de technologische ontwikkelingen zelf komen niet uit een wettekst.
De oplossingen komen uiteindelijk van één kant.
Van u.
Daarom hebben we jullie nodig. En ben ik dankbaar voor al het werk dat jullie leveren.
Wij moeten er samen voor zorgen dat een verhaal zoals dat van de zelfrijdende wagen ons niet blijft overkomen.
Dat we de schouders niet meer op moeten halen en hoeven te zeggen: “Het was een ongelofelijk goed idee en het kwam van hier, maar elders deed men er écht iets mee.”
Ik reken daarvoor op u.
En u mag altijd op mij rekenen.
Ik dank u.